Beleggen in Box 1 nog geen gemeengoed

Als het gaat om pensioen, zitten veel consumenten niet te wachten op verhalen over eerste, tweede of derde pijlers, of Box 1, 2 of 3. Zij willen alleen weten of ze er later nog warmpjes bij kunnen zitten. Voor bijna een derde van de werkende Nederlanders is dat nog maar zeer de vraag. Zij bouwen minder op dan 70% van het laatst verdiende inkomen. Extra pensioenopbouw kan helpen. Maar via sparen is dat moeilijk. Biedt beleggen uitkomst?

Volgens Lodewijk van Meel, partner bij Post Vermogensbeheer en aanbieder van een bancaire beleggingslijfrente-product laten veel financieel adviseurs de mogelijkheid om te beleggen met pensioengelden vaak onbesproken. Dat komt volgens hem door negatieve ervaringen met beleggen of te weinig kennis.

Van Meel vindt dat een gemiste kans. Hij wijst erop dat er feitelijk 4 scenario’s met beleggen zijn en dat je ook spaargeld als een beleggingscategorie moet beschouwen. Deze beleggingscategorie levert op dit moment niets op. Maar uit zijn scenario-analyses blijkt dat spaargeld in slechts 1 van de 4 scenario’s meer oplevert dan beleggen in aandelen en/of obligaties, namelijk als de rente stijgt en de groei wordt minder.

 

De 4 basisscenario’s bij beleggen, afhankelijk van de ontwikkeling van de rente en de economische groei

 

Pensioenfondsen beleggen om deze reden in een breed scala van beleggingen. Risicospreiding én het vergroten van de kans op rendement zijn hiervoor de argumenten. Precies wat een derde van de werkende Nederlanders nodig heeft voor extra pensioen.

Van Meel beseft dat er nog heel wat werk aan de winkel is voor deze groep ervan doordrongen wordt dat beleggen het verschil kan uitmaken tussen voldoende en onvoldoende pensioenopbouw. Er zijn nog maar weinig aanbieders van beleggingslijfrente-producten en de angst voor beleggen houdt een gedegen keuze tegen.

Beleggen voor je pensioen is nog geen gemeengoed, niet bij aanbieders, niet bij consumenten en niet bij adviseurs. Van Meel noemt het positief dat de overheid dit jaar het speelveld heeft verruimd om bancaire lijfrentes aan te bieden. Hij verwacht dat meer vermogensbeheerders het voorbeeld van Post Vermogensbeheer gaan volgen om beleggingspensioenproducten aan te bieden.

Van Meel ziet veel heil in een driehoeksverhouding tussen klant, adviseur en vermogensbeheerder. “Beleggen is mijn optiek bij uitstek een financieel ‘product’ waarbij periodiek een ontmoeting met de klant wenselijk is.” De onafhankelijk adviseur zou zich namens de klant kritisch moeten opstellen tegenover een beheerder en periodiek moeten toetsen of het beheer nog passend is voor de klant. ”Dat een adviseur hiervoor aan een klant een vergoeding vraagt, lijkt mij logisch. Het is mijn overtuiging dat het voor de klant uiteindelijk duurder is als hij er geen gebruik van maakt.”

Het complete verhaal over zorgplicht bij profielfondsen (deel 1)

Veel financieel adviseurs verwijzen mensen graag direct naar een vermogensbeheerder bij vragen over beleggen. Zo min mogelijk zorgplicht, lijkt hun credo. Toch onthouden adviseurs hun klanten zo van aantrekkelijke beleggingsmogelijkheden. Met dank aan wet- en regelgeving, helaas.

Sinds de beurscrash van 2008, de woekerpolisaffaire en de invoering van het provisieverbod wordt er nog maar mondjesmaat belegd via financieel adviseurs. Zij die het nog aandurven, moeten van de AFM een vergunning hebben en aan allerlei eisen voldoen.

Die eisen zijn de laatste jaren strenger geworden. Om consumenten te beschermen. Dat is niet helemaal verwonderlijk, zeker niet als adviseurs zelf portefeuilles samenstellen voor hun klanten en feitelijk als vermogensbeheerder optreden. Maar wie als adviseur een kant-en-klaar profielfonds wil adviseren aan zijn klant, moet aan dezelfde regelgeving voldoen. En dan strekken de eisen wel erg ver.

Profielfondsen zijn vergelijkbaar met modelportefeuilles van vermogensbeheerders

Profielfondsen zijn fondsen die specifiek beheerd worden voor een bepaald risicoprofiel. De doelstelling van het fonds is om zoveel mogelijk rendement te genereren binnen een vastgesteld risicokader. Net zoals bij vermogensbeheer dus.

Verreweg de meeste vermogensbeheerders beheren het vermogen van hun klanten aan de hand van modelportefeuilles. En die modelportefeuilles worden beheerd voor een bepaald risicoprofiel, dus niet specifiek voor een klant. Vergelijkbaar dus met profielfondsen.

Het ene heet individueel vermogensbeheer, het andere collectief vermogensbeheer. Beleggingstechnisch niet al te veel verschil, maar voor de regelgeving wel.

Verschil in wettelijke zorgplicht

Wie als adviseur een klant begeleidt naar individueel vermogensbeheer, heeft niets met welke regelgeving dan ook te maken. De adviseur voelt wellicht wat morele zorgplicht, maar de wettelijke zorgplicht ligt volledig bij de vermogensbeheerder die daar gemiddeld zo’n half procent fee per jaar extra voor in rekening brengt.

Dat is bij de begeleiding naar een profielfonds wel anders. Beleggingstechnisch hetzelfde idee, maar compleet anders in de praktijk. En dat heeft niet te maken met het vaststellen van het risicoprofiel, wat een vergunningsvrije activiteit is. Wel gaat het om de zorg dat het profielfonds van zijn advies past bij het risicoprofiel van de klant. En dan heeft een adviseur te maken met dezelfde zorgplicht als de individueel vermogensbeheerder, terwijl hij daar niet dezelfde provisie voor kan rekenen. Sterker nog, hij mag al blij zijn als hij überhaupt íets in rekening kan brengen.

En toch is het heel goed mogelijk dat de klant beter af is met een profielfonds. Vanwege de lagere kosten in vergelijking met individueel vermogensbeheer. Want het is algemeen bekend: rendement begint bij het goedmaken van kosten.

Het Maggi-concept voor de financieel adviseur

Als één reclameslogan de tand des tijds wel heeft doorstaan, is het wel deze: ‘Een beetje van jezelf en een beetje van Maggi’. Een slogan die tegenwoordig voor van alles en nog wat van toepassing is. Elektrische fietsen, automatische grasmaaiers, maaltijdboxen, Funda, Pixlr en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar het ‘beetje van Maggi’ lijkt afwezig te zijn in de financieel adviesbranche. Daar is het óf doe-het-zelven óf alles uitbesteden. Best opmerkelijk.

Invloed digitalisering

We weten het al bijna niet meer, maar er was een tijd dat internet niet bestond. En daarmee dus ook geen vergelijkingssites voor de beste spaarrente, de goedkoopste hypotheek of de meest uitgebreide verzekering. Banken en tussenpersonen hadden het monopolie op financiële advisering. De consument wist niet beter. Iedereen richtte zich, bij gebrek aan alternatief, tot de ‘expert’. Iedereen besteedde alles uit.

Internet heeft de boel opgeschud. De eigenwijsheid dook op. De consument van nu informeert zich. Die doe-het-zelft waar hij kan, besteedt uit waar hij wil. En zo kan het dat ondanks Funda, veel makelaars niets te klagen hebben over klandizie. Dat er werk blijft voor professionele fotografen hoewel je met een app op je mobiel de mooiste foto’s kunt maken. En dat taxi’s niet zomaar uit het straatbeeld zullen verdwijnen als de zelfrijdende auto zijn intrede doet.

Gedateerde werkwijze

Internet brengt voor financiële diensten transparantie en gemak. Maar ook belachelijk veel keuzes en weinig houvast. Fijn dat er onafhankelijk adviseurs zijn die je als consument de weg wijzen. Maar de branche staat helaas nog wel met 2 benen in het verleden.

Dat is niet zozeer of alleen te wijten aan financieel adviseurs, maar door hun werkwijze beperken ze zich wel in hun klantenbestand en in de waarde van hun adviezen. Ze trekken immers alléén die klanten aan die inderdaad alles willen uitbesteden. En kijken meestal alléén naar producten waarin ze ook kunnen bemiddelen.

Beperkt advies

In mijn eigen vakgebied met mijn focus op beleggingsoplossingen van banken, verzekeraars en vermogensbeheerders is dat nogal beperkend. Hoewel er een wereld van adviesbehoeftige consumenten rondloopt met allemaal vragen op het gebied van sparen, beleggen en aflossen, maakt maar een klein deel de gang naar een adviseur. En wie die gang wel maakt, krijgt maar een beperkt advies omdat maar zo weinig beleggingsoplossingen ‘bemiddelbaar’ zijn voor een adviseur.

Een beetje van de consument, een beetje van de adviseur

Het wordt tijd voor een beetje Maggi van de financieel adviseur. Internet maakt heel veel mogelijk. Tools waarmee consumenten hun eigen financiële huishouding kunnen invoeren, ‘customer journey’s’ om hypotheken, beleggingsoplossingen of andere financiële producten zélf af te sluiten. Maar de persoonlijke duiding ontbreekt. En dat is juist het domein van de onafhankelijk financieel adviseur. Dat is zijn magie, oftewel… de Maggi.

Hoe haalbaar zijn financiële doelen?

“Waarom zou je de zekerheid van het niet halen van je financiële doelen niet ruilen voor de onzekerheid dat je ze wél haalt met beleggen?” Met die zin sloot Robert-John Thomson van Nationale-Nederlanden Bank onlangs zijn presentatie af bij de kennissessie van Advies-Check over vermogensadvies in Apeldoorn.

Het is een zin om over na te denken. En die velen wellicht tot motto zouden moeten verheffen. Mét hulp van een onafhankelijk financieel adviseur.

Iedereen staat tegenwoordig voor dezelfde financiële keuzes: hoeveel geld als inkomen of als pensioen is genoeg voor mij. De overheid draagt daar steeds minder aan bij. Dat wat iemand nodig vindt of nodig heeft, moet dus in steeds grotere mate door hemzelf worden bijeengebracht. En dat kunnen forse bedragen zijn.

Wie vanaf zijn 68e tot zijn 90ste naast zijn AOW 1.000 euro extra per maand zou willen, moet tegen die tijd 380.000 euro hebben gespaard (rekeninghoudend met 1,5% inflatie).

Maar 1.000 euro is niet hetzelfde als 1.000 euro over 20 jaar…

Wie nu 45 jaar oud is en op basis van de huidige koopkracht vanaf zijn 68ste 1.000 euro extra per maand wil hebben, moet tegen die tijd 1.700 euro maandelijks beschikbaar hebben. En een spaarpot hebben van maar liefst 435.000 euro!!! Dan kan hij na zijn pensioen nog 22 jaar interen op zijn vermogen.

Wie nu nog moet beginnen om dat kapitaal bij elkaar te sparen, is jammerlijk te laat. Dat zou 1.690 euro per maand betekenen bij een gemiddelde spaarrente van 2%. Maar ook met een bestaande buffer van bijvoorbeeld 100.000 euro, is het bijna niet op te brengen: 1.250 euro per maand. Althans niet met sparen. En al helemaal niet als de huidige bizar lage rente nog jaren aanhoudt.

Dan komt de vraag toch weer naar voren: Waarom zou je de zekerheid van het niet halen van je financiële doelen niet ruilen voor de onzekerheid dat je ze wél haalt met beleggen?

 

MIFID II zet de onafhankelijke adviseur deels buitenspel

Het leek zo’n goed idee van de Europese overheid, dat hele MIFID II. Banken en vermogensbeheerders zouden voortaan moeten voldoen aan nóg strengere regels om te zorgen dat het vermogen van hun klanten niet wordt verkwanseld. Het was een flinke klus, maar het is gelukt. MIFID II is ingevoerd en banken en vermogensbeheerders doen hun stinkende best om het vermogen van hun klanten te beheren conform de nieuwe regelgeving. Dat lijkt positief, maar ís dat het ook?

 

Onlangs noemde een vermogensbeheerder de nieuwe regelgeving voor vermogensbeheer, MIFID II, een forse achteruitgang van zijn dienstverlening. Hij voegde daar een opsomming bij van de administratieve inspanningen die hij moet leveren om ‘compliant’ te zijn. Zowaar een heel lijstje. Die je inderdaad doen afvragen of een vermogensbeheerder nog wel aan zijn eigenlijke werk toekomt: het beheren van vermogens.

 

Onderbelichte keerzijde administratieve rompslomp

Wat mij betreft is de toegenomen bureaucratie volstrekt acceptabel als het er voor de consument beter op wordt. Ik vrees dat dat niet zo is. Alle verplichte administratieve rompslomp voor de vermogensbeheerder maakt het beheer duurder en zet de onafhankelijke adviseur buitenspel. Met name dit laatste is een zorgelijke ontwikkeling. Niet alleen voor die adviseur, óók voor de consument.

 

Risicomandaat verschilt per beheerder

Een vermogensbeheerder is verplicht om de risicocapaciteit, risicobereidheid en risicotolerantie van de klant kennen. Maar het gekke is dat die beheerder zélf mag bepalen hoe hij die begrippen definieert én welke consequenties hij hieraan verbindt. Dat betekent dus dat nog los van het beleggingsbeleid, de uitgangspunten voor het beheer per vermogensbeheerder verschillen.

 

Dat is vreemd, toch?

 

Risicoprofiel gekoppeld aan te beleggen bedrag

De risicobandbreedte van een klant wordt dus bepaald door de vermogensbeheerder. Dat moet hij zorgvuldig doen van MIFID II. En dat kost dus tijd. Oók voor de potentiële klant. Die wordt immers geacht alle informatie te verstrekken waar de beheerder om vraagt. Allemaal vragen die tot doel hebben om het risicoprofiel te bepalen.

 

Nu is dat profiel gekoppeld aan het te beheren bedrag. Hoe hóóg het bedrag is, mag of moet zijn, daar hoeft de beheerder zich niet mee te bemoeien, zolang de risicobandbreedte maar passend is voor het vermogen dat de beheerder gaat beleggen. Toch is het vrij cruciaal voor een consument hoeveel hij beschikbaar zal of misschien wel móet stellen voor beleggen. Kan hij niet beter kan aflossen of sparen? Is de fiscaliteit van pensioenbeleggen niet interessanter?

 

Waar is de onafhankelijk financieel adviseur?

Dit soort vragen hoeven niet aan bod te komen tijdens de inventarisatie door de vermogensbeheerder. De antwoorden kunnen echter wél verband houden met het risicoprofiel.

 

Daar wringt het.

 

Nu de verantwoordelijkheid voor de risicobandbreedte volledig bij de vermogensbeheerder is komen te liggen, blijven alle vragen die hieraan voorafgaan onbeantwoord. Hoeveel zal ik beleggen? Welke horizon kan ik aan? Welk doel moet ik voor ogen hebben? Vragen die bij uitstek met een onafhankelijk adviseur doorgesproken kunnen worden. Én vragen die uiteindelijk ook betrekking hebben op het risicoprofiel van de klant en zijn te beheren bedrag. Evenals vragen over de risicocapaciteit, risicobereidheid en risicotolerantie. Die persoonlijk zijn voor élke klant. En waarbij het dus best vreemd te noemen is dat daar bij elke vermogensbeheerder een andere uitkomst voor het beleggen aan kan hangen.

 

Ongewenst effect MIFID II

MIFID II geeft vermogensbeheerders een zwaardere (en duurdere) zorgplicht om de klant goed te kennen.  Maar door de verantwoordelijkheid voor het risicoprofiel van de klant bij vermogensbeheerders te verzwaren, wordt de pas afgesneden voor financieel adviseurs om relevant te zijn.

 

Risicometer Beleggen mist effectiviteit

Een kleine 2 jaar geleden introduceerde de Nederlandse Vereniging van Banken de Risicometer Beleggen die aangeeft hoe volatiel een modelportefeuille mag zijn op een schaal van 1 tot 7. De meter zou ervoor moeten zorgen dat modelportefeuilles van vermogensbeheerders beter vergelijkbaar zijn. En zou financieel adviseurs dus helpen om samen met hun klanten een gedegen keuze te maken voor een bepaalde bank of vermogensbeheerder. Amper 2 jaar later mogen we concluderen dat het nobele streven jammerlijk is mislukt.

 De risicometer geeft min of meer het mandaat weer voor het risico van een modelportefeuille. Dat risico is gebaseerd op de volatiliteit van de historische rendementen van de beleggingen in de modelportefeuille. Hoewel volatiliteit nooit gezien mag worden als enige maatstaf voor risico, is het wel een belangrijke. Én het is een maatstaf die uniform gehanteerd kan worden, wat de vergelijkbaarheid bevordert.

 

Schaalverdeling van 1 tot 7, van laag naar hoog risico

De schaalverdeling van de risicometer volgt min of meer de schaalverdeling van de risico indicator die verplicht is voor beleggingsfondsen die onder Europese wetgeving vallen. Dat is mooi, want hierdoor kunnen modelportefeuilles qua risico grofweg óók worden vergeleken met profielfondsen. Zowel modelportefeuilles van vermogensbeheerders als profielfondsen van fondshuizen worden immers beheerd met het oog op een bepaald risicoprofiel.

Nu lijkt de schaalverdeling van 1 tot 7 heel wat diversiteit te bieden. De eerste schaal geeft een gering risico aan en de laatste schaal een hoog risico. Voldoende houvast voor consumenten en hun adviseurs, zo lijkt het.

 

Weinig verschillen in risicoprofielen

Helaas, de praktijk is weerbarstiger. Uit onderzoek van Advies-Check blijkt dat modelportefeuilles én profielfondsen zich massaal rond de middelste schalen van 3 tot 5 bewegen, zélfs als profielen door aanbieders als ‘zeer defensief’ of ‘zeer offensief’ worden bestempeld. Verreweg de meeste beleggingsoplossingen bewegen zich rond de middelste schaal. Dat maakt de vergelijking er dus niet makkelijker op.

Nu zijn er twee conclusies mogelijk. Ófwel de modelportefeuilles verschillen daadwerkelijk nauwelijks in risico, ófwel de schaalverdeling is te smal. Hoe dan ook, de risicometer mist effectiviteit.

Maar er mist meer.

 

Met de billen bloot

Het risicomandaat dat de vermogensbeheerder aan een (potentiële) klant voorspiegelt, zegt niets over zijn prestaties. Ook getoonde rendementen zeggen weinig. Waar het om gaat is hoe het rendement zich verhoudt tot het risico dat een vermogensbeheerder daadwerkelijk heeft genomen. Je wilt immers als klant het liefst een zo hoog mogelijk rendement bij een zo laag mogelijk risico. De risicometer verklapt niet in hoeverre de beheerder hierin is geslaagd. Ook behaalde rendementen laten dit niet zien.

Wat zou helpen is een indicator die een vermogensbeheerder echt met de billen bloot laat gaan. Een indicator die laat zien hoe het behaalde rendement zich verhoudt tot het genomen risico.

 

Lange weg

Hoe welkom zo’n rendements-risico-indicator ook is, een dergelijk instrument zal er voorlopig niet komen. De wettelijke informatieplicht richting potentiële klanten is recentelijk volledig herzien. MIFID II is in werking getreden en bevat geen bepalingen voor de oriëntatiefase van een consument, als die nog geen informatie over zichzelf heeft prijsgegeven. Daarmee moet iemand die een goede vergelijking tussen vermogensbeheerders wil maken, eerst bij elke beheerder zijn doopceel laten lichten voordat hij tot de benodigde informatie komt.

Natuurlijk kan dat anders. Maar dat betekent dat vermogensbeheerders met de billen bloot moeten. Vrijwillig. Nul kans dat het daarvan komt. Wel een gemíste kans voor het vertrouwen in beleggen.

 

 

Evaluatie 2017: Passief én Actief winnen het van Actief & Passief

Hoe hebben vermogensbeheerders en aanbieders van profieloplossingen het gedaan in 2017? Advies-Check zocht het uit. In meerdere artikelen geeft Advies-Check een weergave van verschillende analyses. In deel 2:  hoe deden actieve beleggers het ten opzichte van passieve beleggers?

Het lijkt een continue strijd te zijn: die tussen de aanhangers van actief beleggen en die van passief beleggen. En de laatste tijd bevindt zich daar nog een stroming tussen: beleggers die beide vormen omarmen en de meeste heil zien in een combinatie van actief en passief beleggen.

Van de 263 beleggingsoplossingen in het overzicht van Advies-Check belegt een minderheid van 105 uitsluitend passief in ETF’s. Maar van de overige 159 is een splitsing te maken tussen oplossingen waarbinnen uitsluitend actief wordt belegd, en waarbinnen een combinatie tussen actief en passief wordt gemaakt.

Puur kijkend naar het rendement over de afgelopen 5 jaar, laat juist deze laatste stroming wat minder rendement zien. Dat heeft vermoedelijk te maken met het hogere kostenniveau. Beleggingsoplossingen waarbinnen uitsluitend actief wordt belegd, wordt ook (of vooral) direct belegd in individuele aandelen en obligaties. Hierdoor is er wat minder spreiding in de portefeuille, maar kunnen de kosten relatief lager worden gehouden. Dit vertaalt zich in het rendement.

Kijkend naar de korte termijn, deed Actief en Actief & Passief het beter dan uitsluitend Passief. De extra kosten voor het gecombineerde beleggen werden ruimschoots goed gemaakt door het rendement.

 

 

Evaluatie 2017: Nauwelijks verschil in risicoprofielen

Hoe hebben vermogensbeheerders en aanbieders van profieloplossingen het gedaan in 2017? Advies-Check zocht het uit. In meerdere artikelen geeft Advies-Check een weergave van verschillende analyses. In deel 1:  hoe gaan aanbieders om met risico?

 

Risicoprofilering blijkt homogeen terrein

Vermogensbeheer gaat over het matchen van iemands risicoprofiel met passende beleggingen. Dat gebeurt bij vrijwel de meeste vermogensbeheerders aan de hand van modelportefeuilles. Elke modelportefeuille wordt samengesteld voor een bepaalde risicobandbreedte en vervolgens al dan niet gekoppeld aan een klant.

Profielfondsen zijn beleggingsfondsen die door een fondsaanbieder (de beheerder) eveneens worden samengesteld voor een bepaalde risicobandbreedte. Een klant en/of zijn adviseur bepalen of het risicoprofiel van de klant matcht met de risicobandbreedte van een profieloplossing.

Risico-indicator geeft risicobandbreedte weer
Beide beleggingsoplossingen (beheer of profiel) werken dus met risicobandbreedtes. De AFM en de NVB hebben voor de herkenbaarheid en onderlinge vergelijkbaarheid richtlijnen opgesteld voor beheeroplossingen. Profielfondsen zijn wettelijk zelfs verplicht om aan te geven welk risicobandbreedte geldt voor het beleggingsbeleid.

De ‘risico-indicator’ bevat bij zowel de richtlijnen van AFM voor beheeroplossingen, als de Europese wetgeving voor profielfondsen een schaal van 1 tot 7. Oftewel een lager risico versus een hoger risico. De schaal is gebaseerd op de volatiliteit van de beleggingen binnen de modelportefeuille of het profielfonds.

In hoeverre verschillen ‘zeer defensieve’ van ‘zeer offensieve’ beleggingsoplossingen?
Zowel vermogensbeheerders als aanbieders van profielfondsen hebben meerdere (model)portefeuilles voor verschillende risicoprofielen. Het zijn er meestal 5. In naam variëren ze vaak van ‘zeer defensief’ tot ‘zeer offensief’.

Je zou verwachten dat het onderliggende risico zich ook verhoudt tot de schaal van 1 tot 7 en dat ‘zeer defensief’ dan in het 1e of 2e vakje van de schaal terecht komt, en ‘zeer offensief’ in het 6e of laatste vakje van de risicoschaal.

In de praktijk blijkt dat niet zo uit te pakken. Verreweg de meeste beleggingsoplossingen, zowel op basis van beheer áls op basis van execution-only (profielfondsen) schommelen rond het midden van de risicoschaal, of ze nu in naam ‘zeer defensief’ heten of ‘zeer offensief’.

Vergelijkingstool Advies-Check voortaan gratis!

Alle informatie over alle beleggingsoplossingen is voortaan gratis toegankelijk bij Advies-Check! Een abonnement is niet langer nodig. Hiermee is elke drempel weg om consumenten een compleet en goed vermogensadvies te geven.

Advies-Check is sinds 2016 hard op weg om het grootste platform te worden voor financieel adviseurs op het gebied van vermogensadvies. Iedere adviseur die zijn klant wil begeleiden naar een oplossing voor vermogensopbouw voor later, heeft met de vergelijkingstool van Advies-Check een belangrijk instrument in handen.

In de vergelijkingstool kunnen zowel modelportefeuilles van vermogensbeheerders worden vergeleken, als de portefeuilles van kant-en-klare profielfondsen die voor een specifiek risicoprofiel zijn samengesteld. Het maakt dus niet uit of je als adviseur zelf aan de knoppen wilt draaien, of dat graag overlaat aan een andere partij.

 

Abonnementsstructuur niet passend voor adviseurs

In de afgelopen maanden is gebleken dat de abonnementsstructuur van Advies-Check niet past bij de manier waarop adviseurs graag aan de slag gaan met vermogensadvies. “Adviseurs willen de informatie graag gebruiken, maar zien op tegen een vast kostencomponent”, aldus Esther Waal, oprichter van Advies-Check.

Daarmee schiet Advies-Check zijn doel voorbij, namelijk gemakkelijke en betrouwbare toegang tot een compleet en goed vermogensadvies. Reden genoeg om de abonnementsstructuur los te laten voor de informatie over de beleggingsoplossingen. “In de toekomst willen we adviseurs helpen met een klantrapportage op maat, waar zowel de adviseur als wij een passend bedrag voor in rekening kunnen brengen”, vult Dirk de Vlaam, mede-oprichter, aan.

 

Aangepast verdienmodel voor Advies-Check

Het loslaten van de abonnementsstructuur is goed nieuws voor al die adviseurs die al dan niet langzaam stapjes zetten richting complete advisering rond de financiële situatie van klanten. Maar hoe zit het dan met de verdiensten van Advies-Check? Waal: “Die komen voortaan alleen uit de sponsoring van aanbieders van beleggingsoplossingen en bedrijven die verwantschap hebben met vermogensadvies, zoals brokers en aanbieders van financiële software. En op termijn dus ook uit de maatwerk-rapportages die adviseurs kunnen maken door de beste beleggingsoplossingen voor hun klanten te vergelijken.”

Advies-Check start met kennisavonden voor klanten van adviseurs

Vermogensadvies gaat onder meer over de verdeling tussen sparen, beleggen en aflossen. Maar hoe betrek je je klant hierbij? Een kennisavond over vermogensopbouw kan het startpunt zijn voor een hernieuwde adviesrelatie. Speciaal voor adviseurs, maar met name voor hun klanten organiseert Advies-Check regionale kennisavonden. Ook in jouw regio?

 

Waarom een kennisavond voor klanten van adviseurs?

Maar weinig consumenten zijn écht bezig met hun financiële situatie voor later. Nu zekerheden steeds meer wegvallen, is dat op zijn zachtst gezegd zorgelijk. Maar hoe bereik je die consument? En hoe laat je zien wat je als adviseur voor hem kan betekenen?

Dát is uitgangspunt voor een verhelderende kennisavond over vermogensopbouw die we organiseren voor de klanten van financieel advieskantoren.

 

Wat komt aan bod tijdens de kennisavond?

Tijdens de avond vertellen experts van onder meer Advies-Check, Nationale Nederlanden en Think ETF’s hoe vermogen kan worden opgebouwd en beschermd. En wat de rol van een adviseur hierbij kan zijn. Men maakt kennis met verschillende aanbieders van beleggingsoplossingen. En krijgt inzicht in de verschillende vormen van vermogensopbouw.

 

Waarom zou een advieskantoor zijn klanten uitnodigen voor de kennisavond?

Financieel adviseurs hoeven geen expertise te hebben op het gebied van vermogensopbouw om klanten uit te nodigen voor de kennisavond. Vermogensopbouw start bij advies over de verdeling tussen sparen, beleggen en aflossen. En bij de doelen die een klant voor later heeft. Typisch het adviesterrein van financieel adviseurs.

Een financieel advieskantoor laat door de uitnodiging aan zijn klanten zien dat het kantoor betrokken is bij zijn klanten en bij hun mogelijk latente behoeften op het gebied van ‘geld voor later’ en vermogensopbouw.

 

Wat kost een kennisavond voor een advieskantoor?

Voor zowel het advieskantoor als voor zijn klanten is de kennisavond helemaal gratis. Wel vragen we de medewerking van het kantoor bij het uitnodigen van klanten. De kosten van de avond worden gedragen door de kennispartners. Zij zoeken verbinding met ‘eindklanten’ en ervaren dat het gezamenlijk met andere kennispartners onder de aandacht van de materie goed helpt voor het bewustzijn van klanten.

 

Hoe kun je als advieskantoor meedoen aan de kennisavonden-reeks?

Meld je zsm aan bij Advies-Check. Wij nemen contact met je op en nemen vrijwel alle zorg uit handen met betrekking tot de organisatie en de uitnodiging.